Populaire berichten

donderdag 26 april 2012

Het V-model van zelf en niet-zelf en het lichaamsschema door Douwe Tiemersma


Het V-model van zelf en niet-zelf en het lichaamsschema

Enigszins uitgewerkte lezing op het Symposium ‘Psychiatrische stoornis of spirituele ervaring? Filosofische visies vanuit Zen en Yoga’, 9 december 2004, Rotterdam

Douwe Tiemersma

Na mijn bijdragen op de twee vorige symposia over psychische problemen en spiritualiteit hebben de organisatoren me uitgedaagd om in ditzelfde kader iets te zeggen over een paar thema’s uit mijn proefschrift die in mijn werk zijn blijven doorspelen: het lichaamsschema en het V-model.
Het gaat dus om de uitwerking van hetzelfde onderwerp als dat van vorige symposia, maar nu vooral op de punten van zelf en niet-zelf en van de lichamelijkheid met haar patronen en schema’s.
Ik denk dat zo’n uitwerking kan bijdragen aan het begrijpen van wat plaatsvindt bij het ontstaan van psychische stoornissen en bij diepgaande spirituele ervaringen, en dat we met dit begrip ons voordeel kunnen doen bij de hulpverlening op beide terreinen.
Van tevoren moet ik u waarschuwen dat niet meer dan een aantal punten aan de orde kunnen komen. We hebben maar een half uurtje.


1 Het zelf en niet-zelf

Dit hoofdstuk laat enkele hoofdpunten of hoofdmomenten zien bij diep-spirituele ervaringen en bij het ontstaan van een psychische stoornis.
Ik begin met de gebeurtenissen op de spirituele weg, zoals die in mijn eigen ervaring voorkwamen.


1.1 Spiritualiteit

Dus eerst volgt een autobiografisch verhaaltje.
Vlak na de tweede wereldoorlog, toen ik nog erg klein was, kreeg mijn vader een ongeluk en moest ver weg naar een academisch ziekenhuis. Mijn moeder ging hem opzoeken, maar was dan met het slechte vervoer de hele dag onderweg. Vele dagen bleef ik alleen in een bedje, waarbij alleen een buurvrouw of tante slechts af en toe kwam kijken. Ik ben me bewust geworden dat ik, staande in het bedje, erg eenzaam was, dat ik me totaal verlaten voelde, totaal in de steek gelaten. Er was het gevoel van wanhoop, van het niet kunnen bestaan in de grote lege ruimte. Alles vloeide samen, alles ging wegvallen. ‘Ik kan niets meer doen’, zo voelde het. ‘Alles is verloren, alles valt weg’. Toen ik daaraan toegaf, gebeurde iets wonderlijks: alles viel weg en er ontstond een zijnservaring zelf die grote leegte te zijn, zonder vormen. In die overgang was er grote vreugde.

Bij het opgroeien verdween die grootse ervaringssfeer gedeeltelijk op de achtergrond, maar nooit volledig. Waarschijnlijk speelde die een rol bij het oppakken van yoga, toen nauwelijks nog iemand aan yoga deed. Bij de beoefening van yoga en meditatie kwam die oersituatie regelmatig terug. Vaak was dit het geval na hevige energetische ervaringen. Juist bij het doorbréken van een eigen beperkte vorm waarin energieën worden vastgehouden, komen sterke energieën vrij. Je bent zelf die energieën, dus de ervaring ervan is erg heftig. Ik kom hier nog op terug.
Later bij Nisargadatta Maharaj was er de overgang op heel drastische wijze en met een grote helderheid.

De belangrijkste elementen of momenten van wat er gebeurde, gelden, lijkt me, voor elke spirituele weg. Zij zijn de volgende.

a) Er zijn speciale gebeurtenissen in het begin die vroeg of laat aanleiding zijn voor een spirituele interesse en een spirituele weg. Vaak zijn dit traumatische gebeurtenissen die bij anderen tot een psychische stoornis leiden, maar ook kunnen het direct spirituele ervaringen en bewustwording zijn.
b) Deze ervaringen leiden tot een situatie waarin het ik een oneindige omvattende ruimte gaat ervaren, waarin het ik niet kan bestaan, het Niets. In het grensgebied gaan de categorieën van ruimte en tijd, van binnen en buiten, van zelf en niet-zelf door elkaar lopen. Er is een chaos, waarin geen houvast meer wordt gevonden.
c) Meestal ontstaat hier angst, angst voor het eigen bestaan als ik-persoon.
Deze angst zet zich, als het goed is, niet door in een voortzettende verkramping. Hoe kan dat?
Deze verkramping is een existentiële samentrekking, van het ik, omdat het ervaart dat het eraan gaat als de ruimte van het Niets zich verder gaat manifesteren. Als deze manifestatie zich doorzet is er óf een angst-implosie, of overgave. Dat laatste gebeurt vroeg of laat op een goede spirituele weg.
d) De overgave, die als positief wordt ervaren als het kwijtraken van de beperkingen en banden van het ik. Het is een bevrijding, een verlichting.

Wat er gebeurt bij een spirituele ontwikkeling is te vergelijken met het ontstaan van een psychische stoornis. Ook hier staat de problematiek van eenheid en scheiding, van zelf en niet-zelf, centraal.
In veel gevallen zijn de elementen a), b) en.c) overeenkomstig.


1.2 Psychiatrie

We spreken van psychische stoornis als er zware problemen zijn in de wijze van ervaren, voelen, denken en in het gedrag, waardoor het leven en samenleven problematisch wordt.
[Over de thematiek van abnormaliteit en normaliteit spreken we nu niet – hier gaan we uit van de praktische situatie waarin men klachten van psychische aard ondervindt.]

De volgende elementen van het ontstaan psychische stoornissen zijn hier van belang, parallel aan de reeds genoemde op de spirituele weg.
a) Traumatische gebeurtenissen die aan het begin staan, zoals verlating, verstoting, seksueel misbruik.
b) De gevolgen van de ervaring van deze gebeurtenissen; deze zijn zo diepgaand ontwrichtend, dat fundamentele ordeningen worden doorbroken.
Ook hier is de belangrijkste ordening die van binnen en buiten, van zelf en niet-zelf.
Dit is een onderscheiding die zo vanzelfsprekend is dat ze niet-bewust functioneert totdat, zoals hier, ze wordt aangetast.
Als dit soort categorieën door elkaar gaan lopen, wordt de geordende kosmos een chaos.
Zelf komt iemand in een ruimte die geen zekerheid meer geeft, die hem of haar dreigt te verzwelgen.
c) De reactie hierop; deze is vooral die van angst, angst voor het eigen bestaan, een existentiële verkramping.
d) De doorzetting ervan; men trekt zich uit de leefwereld terug op een klein gebiedje van zelf-zijn in de hoop iets van zichzelf te bewaren. Als dit niet blijkt te lukken kan de angst zo groot worden dat er een soort implosie plaatsvindt tot en met een acute psychose.

Vaak zijn er cirkels tussen de verschillende elementen, waarin de stoornis zich versterkt.
Bij alle persoonlijkheidsstoornissen (borderline, schizoïde, paranoïde), hoe verschillend ze ook zijn, schijnt de angst het moeilijke punt te zijn, de angst die verbonden met een-zijn en met scheiding. Het is de angst: bij separatie ga ik eraan, blijft niets van me over, of idem bij het samensmelten. Het is de problematiek van zelf en niet-zelf.
De moeilijke relatie tussen zelf en niet-zelf, van de ander/het andere en ik, lijkt aan alle psychische en sociale problemen ten grondslag te liggen. Aan de ene kant is er de notie zelf alles of absoluut te zijn, aan de andere kant is er de ervaring van de beperktheid in ruimte en tijd. Dit conflict vormt het tragische aan het mens-zijn. Wat mensen ook proberen om dit conflict te boven te komen, dit lukt niet, althans niet op dit niveau. Juist door deze pogingen wordt het lijden groter. Alleen bij de herkenning dat er geen scheidingen zijn, op dat van de non-dualiteit, is de problematiek afwezig.

Het verschil in de gang naar stoornis en die naar bevrijdingservaring is dus niet gelegen in de brongebeurtenis, de ervaring van de chaos en het Niets en zelfs niet in de angst die hierdoor optreedt, maar in de laatste fase waarin of de angst zich verder doorzet, of de bevrijding ontstaat. In het ene geval is er een ik dat zichzelf in een verkramping vasthoudt, in het andere geval een loslaten, een overgave van het ik aan het grote.

Wat er gebeurt bij de fasen a) en b) kan in een model worden toegelicht.

Symposium_Psychiatrische_stoornis_V-model_1


Het model is het structurele model van de menselijke situatie, waarop onder wordt ingegaan. Het model is ook een dynamisch model: het zwaartepunt van zelf-zijn kan op elke hoogte in het model liggen en kan verschuiven.
Het kan verhelderend zijn zelf als oefening eens van boven naar beneden in het model te gaan.

Neem als uitgangspunt de afstandelijke waarneming; keer dan met je aandacht terug naar jezelf en laat dan de ontspanning komen, zak steeds verder naar beneden en laat je nog meer ontspannen; daardoor komt er een uitbreiding van jezelf en een laten komen van de dingen; de afstand verdwijnt door ontspanning; uiteindelijk is er een samenvallen.
Zo kunnen we nog eens de besproken elementen of fasen van ontstaan van een psychische stoornis en spirituele ontwikkeling nagaan.

a) De brongebeurtenissen vinden daar plaats waar een sterke betrokkenheid van het zelf met de leefwereld, en daarin andere mensen, is. Er is geen sterke objectivering, geen sterke scheiding zelf en niet-zelf, maar een zekere mate van symbiose (niveau 2). Er is dus een verwevenheid, plaats 2 in het V-model, een gedeelde identiteit in de eigen ervaring, een openheid naar de ander toe. Als daarin iets gebeurt, bijvoorbeeld het wegvallen van een belangrijke ander iemand, of de sterke objectivering door een relevante ander, wordt de eigen zelfsfeer geschokt.
In de loop van het leven kan veel worden geobjectiveerd (verschuiving naar 1 Scheiding), er wordt afstand genomen ook van veel vroegere ervaringen. Dat is ook mogelijk als de gebeurtenissen later in de volwassen situatie plaatsvinden. Maar, hoe dieper de ervaringen zijn, des te moeilijker is het hiervan afstand te nemen. De ervaringen op het niveau van de verwevenheid blijven dan een rol spelen.
b) Als de oorspronkelijke ervaring heel sterk is, is er de sfeer waarin zelf en niet-zelf door elkaar heen lopen, evenals dat van verleden-heden-toekomst en andere categorieën. Ook later bij volwassenen kan er een teruggang zijn van zwaartepunt vanuit de afstandelijke situatie 1 naar 2, dat is een verval van de cognitieve ordening op niveau 1.
c) Bij een volwassene is er een duidelijk ego op niveau 1. Dat wil zich handhaven: ‘Ik wil niet te gronde gaan, niet dood gaan’. Angst ontstaat, en er is de neiging terug te gaan naar 1, namelijk om de standaard-ordening terug te krijgen, zo de angst te verdrijven en het ik te laten voortbestaan.
d) Als dat niet lukt, komt er een verdere verkramping van het ik op niveau 2 (duidelijk bij een zware depressieve persoonlijkheidsstoornis), of op het niveau 1, met een verdere terugtrekking (duidelijk bij de schizoïde stoornis). Dit gaat in een spiraal verder, in een steeds kleinere cirkel draait de persoon zich vast. Hoe daaruit te komen?
Een terugkeer naar de wereld van de gewone ordening 1 is zelden mogelijk. De opening blijft. Het enige, zoals we zagen, is de overgave van het ik, een acceptatie, een loslaten van het ik in het omvattende; het loslaten van het beperkte zelf in het Grote.
Daar is vertrouwen voor nodig. Een zijnservaring van een omvattende liefde is daarbij doorslaggevend. Ik kan die herkennen in de kindertijd, ook bij Nisargadatta Maharaj.

Zo kan er een bewustwording komen van de mogelijkheden van 1, 2 en 3, een bewustwording van het tegelijk aanwezig zijn van de drie niveaus, van scheiding en eenheid: advaita.

Het is dus cruciaal wat er gebeurt bij de doorbraak door de grenzen van de normale wereld, waarbij angst opkomt. Óf er is een vasthouden aan het ego en een verdere angstreactie in de vorm van een verkramping, óf er is een overgave. In het laatste geval is er een spirituele doorbraak en existentieel-psychische heling.

De negatieve weg
Het samenvloeien, gaande naar de punt onderin het V-model, is een een-wording in het zijn. Nu is er in de advaita-traditie ook een andere beweging naar een-zijn, namelijk de beweging naar een zo groot mogelijke afstand tussen subject en object. Je standpunt gaat naar achteren, je doet als het ware een paar stappen achteruit. Er ontstaat een afstandelijker, een meer reflexiever bewustzijn. Daarbij laat je steeds meer vormen van jezelf los, je ziet deze als object-verschijnselen. Zelf blijf je als steeds zuiverder bewustzijn over. De poten van de V breiden zich naar boven uit. Maar, wat gebeurt er dan?
Er gebeurt iets vreemds: hoe meer afstand je neemt van jezelf en de dingen van de wereld, en hoe zuiverder bewustzijn je wordt, des te dichterbij komen de dingen. Ze verschijnen steeds meer in je eigen bewust-zijn en zijn steeds minder verschillend van jezelf. In het V-model is er een omklappen van de uit elkaar gaande poten. Het proces kan doorgaan tot er identiteit is.
Anders weergegeven: bij de verdergaande objectivering van jezelf en het ontstaan van het zuiverder bewustzijn, komt het objectieve (het andere) je in de rug tegemoet, totdat het je overrompeld en je ermee samenvalt.
Ook hier kan angst ontstaan als het ego wordt vastgehouden in de ijler wordende ruimte. Ook hier zijn er de twee mogelijkheden psychotisch verkrampen bij het doorzetten van angst, en de bevrijding in de ruimte bij overgave.

Symposium_Psychiatrische_stoornis_V-model_2



Het V-model kan ook nog meer als een structureel model worden weergegeven van de ruimtelijke zelf- en niet-zelf-sferen, waarin de mogelijkheden van de zelf-standpunten bekeken kunnen worden.
- niet uitgewerkt hier -

Symposium_psychiatrische_stoornis_V-model_3



Het is het model van de golf die opkomt uit de oceaan.
- Zelf kun je aan de oppervlakte zitten, gericht op de dingen buiten (niet-zelf), op afstand.
- Zelf kun je je bewust worden van de hele golf die je bent, ook met een achterkant die door anderen als object wordt gezien.
- Zelf kun je je laten uitbreiden, zodat zelf en niet-zelf gaan samenvallen.
- Dat is ook duidelijk als je je bewust wordt van (of je zwaartepunt verplaatst naar) beneden: sfeer van vermenging en eenheid,
- en als je beseft dat je de bewustzijnsruimte bent – je gaat naar boven en laat de golf, jezelf, los.
Advaita: niet-zijn en zijn.

Opmerking: Met zo bezig te zijn met modellen moet je wel oppassen dat het model geen eigen leven gaat leiden. De aansluiting bij de eigen ervaring zal er moeten blijven. Het model is als een kaart die in versimpelde vorm de plaatsen en wegen van zelf-zijn aangeeft, of een blauwdruk van mogelijkheden van zelf-zijn. Vanuit het model kan er oog komen voor aspecten die anders gemakkelijk onderbelicht zouden blijven.


2 Het lichaam en zijn schema
De psychische stoornissen en de problemen op de spirituele weg zitten vooral op het terrein van de verwevenheid van zelfzijn en niet-zelf-zijn, het andere. Daarom zijn de problemen existentieel van aard, ze zijn aanwezig in de eerste persoonssfeer die vooral lichamelijk is. Ze hebben te maken met het ego (beperkte zelf), maar dan vooral met het lichaamsego. Op mentaal vlak zitten natuurlijk ook de problemen, maar hier ligt het allemaal niet zo problematisch. Als de gebruikte concepten problemen geven en ze moeilijk los te laten zijn, komt dit doordat je je ermee identificeert. Dat identificeren is vooral een zaak van het eigen existentieel-lichamelijke zijn. Als er geen identificatie met de begrippen is, kun je gemakkelijk anders gaan denken. Het denken op zich is geen probleem, zelfs niet het ik-denk. Wel problematisch is de beperking van het zelf-zijn en dat is vooral lichamelijk.


2.1 Verschillende lichamen met subject-objectvariatie

Het ervaren van het eigen lichaam kan op verschillende wijzen plaatsvinden en elke ervaringswijze levert een apart soort lichaam op. De mogelijkheden kunnen ook weer goed in het V-model worden geplaatst.

Symposium_Psychiatrische_stoornis_V-model_4



Het V-model is zo niet alleen een model van de mogelijkheden, maar ook van de meest voorkomende actuele structuur van het eigen lichamelijke bestaan.

Ga maar kijken, bij een oefening die in de yoga wordt gedaan.
a) Houd de bovenarm tegen je romp en bekijk je hand op een afstandje. Vanuit oogpositie wordt de hand gemakkelijk een object dat op afstand staat van jezelf als subject in je hoofd. 
Kijk naar je hand en zie de vormen en kleuren ervan. Je kunt precies alle structuren van het oppervlak vaststellen. De aandacht stopt bij het oppervlak van je hand. Stel vast dat er een afstand is tussen jezelf als beginpunt van de aandacht (oorsprong) en je hand. Knijp met je linkerhand in je rechter en voel de zachte en hardere delen. Wat is er te zeggen over de aard van je hand?


Als je het lichaam extern waarneemt en het kunt betasten en knijpen, noemen we dit het materiële lichaam. Het materiële lichaam heeft een bepaald gewicht en bepaalde afmetingen, is in zekere mate hard en ondoorzichtig, is vatbaar is voor kou en hitte. Je kunt het onderzoeken door erin te snijden en dan vind je het lichaam dat in de anatomie- en fysiologieboeken is terug te vinden. Dit fysieke lichaam wordt als ding (object) waargenomen, doordat je het op een afstand van jezelf als waarnemer (subject) ziet. In een objecttaal spreken we over dit lichaam als een ding tussen de dingen. Het is het materiële objectlichaam (1).

b) Blijf naar je hand kijken en stel vast welke eigenschappen je romp en benen hebben.

Naar beneden toe wordt het lichaam veel meer een instrument waarvoor je een zijdelingse gevoelsmatige aandacht hebt. Het is dan gevoelsmatig verweven met jezelf. Als je een moeilijk karweitje hebt te doen, zoals een draad door het oog van een naald steken, ben je gericht op de naald en de draad, maar ten dele ook op je handen. Deze handen zijn ten dele subjecthanden, maar je neemt ze ook in de ruimte waar en daarom zijn ze ten dele ook objecthanden. Het lichaam heeft vaak deze dubbelzinnigheid. Dat hebben ook de instrumenten die we gebruiken als verlenging van ons lichaam, zoals de pen, de vork, het muziekinstrument, enzovoort. In de situatie van de dubbelzinnigheid zijn subject en object verweven. We ‘leven’ het lichaam. Het lichaam is een ‘geleefd lichaam’ (corps vécu) (2).

c) Terwijl je naar je hand blijft kijken, kun je je bewust worden van met de basis waarop je staat, de benen en voeten. Hoe zit het daar met zelf en niet-zelf?
Met je voeten ben je helemaal geïdentificeerd. Daarvan is meestal geen bewuste kennis. Daarom zeg je ook: ik loop, ik sta, ik voel de harde grond. Ook de handen zijn soms alleen maar zelf, subject.

d) Doe je ogen dicht en richt je aandacht op je omgeving. Maak, als in het donker, met je rechterhand tastbewegingen. Leg nu je rechterhand voor je op de grond of op de tafel. Voel en betast nu aandachtig het oppervlak met je rechterhand. Blijf gericht op de eigenschappen van het oppervlak en probeer te verwoorden wat het eigene is van de rechterhand.
Terwijl je met je hand tast, zit je als waarnemer al voelend in je rechterhand. Dan behoort je rechterhand tot jezelf als waarnemer: subject. Dat geldt in het algemeen: voor zover je je identificeert, dat is gelijkmaakt aan, je lichaam, krijgt dat lichaam een eerste persoonskarakter, je bent dat zelf terwijl je je beweegt en ervaart, het is het subjectlichaam of lichaams-ik (body ego) (3). Dit lichaam wordt per definitie niet als object waargenomen.
Het lichaam heeft dus een variërende plaats op de schaal van subject – object. Meestal zit het lichaam tussen het object-lichaam en subjectlichaam waarin subject en object met elkaar zijn verweven.

Bevrijding van het lichaam zou kunnen betekenen volledig terug te keren tot de subjectiviteit van het eigen bewustzijn. Voor zover er dan een lichaam is, heeft deze geen andere status dan die van een vorm in en van het bewustzijn. Bevrijding van het lichaam kan ook betekenen kennis hebben van de vele vormen van het lichaam en van de vormen van het zelf (subject) en al deze verschillende vormen tegelijk als niet verschillend, non-duaal, ervaren. Dat is de hoogste vorm van advaita.


2.2 Het lichaamsschema

Psychische problemen zitten dus vooral in de lichamelijke zijnssfeer, waar de identificatie sterk is. Een nader onderzoek laat zien dat het niet deze lichamelijke sfeer als zodanig is, die problemen levert, maar de identificatie met de ruimtelijke structuur en kwaliteit van deze sfeer. Als we het over de structuur van het eigen lichaam hebben, moeten we over het lichaamsschema spreken.

Het begrip lichaamsschema
Het woord lichaamsschema is afkomstig van neurologen in het begin van de 20e eeuw. Zij duiden daarmee de zogenaamde ‘topografie’ van het eigen lichaam aan, zoals deze wordt ervaren. Deze kan zijn gestoord, wat aanleiding geeft tot vreemde ervaringen en problemen in het gedrag. Men kan zich, bijvoorbeeld, veel te dik voelen, of de ervaring hebben dat een geamputeerd been nog aanwezig is. Men kan de plaatsen op het lichaam niet meer goed vinden en de lichamelijke bewegingen sluiten niet meer goed aan bij de dingen in de wereld. De storing zit in een kenfunctie die men het lichaamsschema noemde. Dit lichaamsschema is een patroon van het eigen lichaam dat onbewust of half-bewust wordt gehanteerd bij alle gedrag. Het lichaamsbeeld is het plaatje of de representatie van het eigen lichaam in de geest. Het is de voorstelling van het eigen lichaam.

Er is veel onderzoek gedaan aan het lichaamschema en lichaamsbeeld door neurologen en psychologen. Bijvoorbeeld, een gedragstest met een deurkozijn waarvan de proefpersoon de posten moet instellen zodat hij er net doorkan. Ook werden vele expressie-tests gedaan, onder andere door tekeningen te laten maken van een persoon en Rorschach-tests.

Eigen waarneming van iemand met een zware depressieve stoornis –
Er is duidelijk een verkramping op het niveau van het lichaam, de motoriek en het lichaamsschema is gestoord, de grens tussen lichaam en de buitenwereld is vaag, maar de persoon probeert die wanhopig in stand te houden.
Ten grondslag hieraan ligt in ieder geval de afwijzende houding van de ouders toen hij nog een klein en opgroeiend kind was; de ruimte om hem heen was een verboden gebied evenals zijn lichamelijke ruimte; zijn handelingen werden afgekeurd. Hij wilde toch bestaan en voelde/voelt zich schuldig; er ontstond een negatieve spiraal.

Ieder mens leeft met een lichamelijkheid waarin vormen, patronen, kwaliteiten zitten. De meeste mensen zijn zich er niet bewust van a) dat deze voor een groot gedeelte kunstmatig zijn geconstrueerd en aangeleerd, b) dat zij zich hiermee hebben geïdentificeerd. Deze kunstmatigheid en identificatie beperken het zelf-zijn en houden het vast, waardoor problemen ontstaan.
Zelfs mensen die geestelijk een grote vrijheid ervaren, kunnen op lichamelijk niveau nog op deze wijze vastzitten in patronen en kwaliteiten.

Hathayoga is vooral a) het terugkeren naar de natuurlijke, directe ervaring van het lichaam, b) het loslaten van de kunstmatige patronen en c) het vrijkomen van de identificatie met het lichaam.

Enkele belangrijke patronen
I. Ruimtelijke structuur: klein-groot, beperkt-kosmisch-onbeperkt
Oefening
a) Kijk naar je lichaam, je romp als een object, en stel globaal de afmetingen vast.
b) Ga naar het niveau van de gevoelsmatige verwevenheid, dus naar beneden.
Welke afmetingen heb je nu?

Let op: het gaat om je afmetingen in je eigen ervaring. Wat ervaar je?
Waarschijnlijk zijn er nog wat vage indrukken en gevoelens. Als je ze kunt ervaren als verschijnselen kun je ze energieën noemen. Gemakkelijk ga je dan je lichaamsbeeld op plakken dat je van buiten hebt leren kennen. Ga terug naar de ervaring zelf. Als je probeert de grenzen van je lichamelijke zelf vast te stelen, blijken die er niet te zijn. Je bent oneindig, zo groot als de kosmos.

II. In de oefening zat ook al de variatie in de kwaliteit van de materie, de stof, het materiaal, de substantie, die grof of meer subtiel kan zijn.

We stelden al vast dat de hand nu een materiële hand is (1). Met ‘materieel’ bedoelen we dan dat de hand hard en ondoorzichtig is, een gewicht en massa heeft, kortom alle algemene eigenschappen van de materie van de klassieke natuurkunde. De hand bestaat uit botten, spieren en ander bindweefsel, zenuwen, enzovoort, zoals dat te vinden is in de anatomie als onderdeel van de humane biologie.

De interne blik kan zich richten op de verschijnselen van de binnenwereld. Zij zijn niet zo zeer indrukken en gevoelens in psychologische zin, als wel verschijnselen met een eigen bestaan. Het gaat dan om een substantie die stroomt, tintelt, straalt en bewegingen tot stand brengt. Het beste woord voor die substantie is ‘energie’. Deze ‘stof’ is niet zo zwaar, ondoorzichtig en hard als de materie, maar deze eigenschappen zijn er in subtielere zin nog wel. Er is een zekere traagheid, stroperigheid. Het geheel is het energetische lichaam (2).
Als je op de energetische sfeer bent afgestemd, is de hele werkelijkheid energetisch van aard. De yogabeoefenaar is in deze sfeer gedoken, in eerste instantie in zijn of haar energetische lichaam. Wat wordt ervaren zijn energetische verschijnselen.

Oefening
Maak schommelbewegingen naar links en naar rechts. Kun je de verschijnselen in je lichaam beschrijven?

Waarschijnlijk ervaar je dat de beweging zich nog een tijdje doorzet, nadat het materiële lichaam tot stilstand is gekomen. Wat beweegt er? Dat is gevoelsmatig aanwezig, zonder alleen maar een gevoel te zijn. Het is iets. Het heeft de eigenschap trager te zijn dan het materiële lichaam, het schommelt als een vloeistof nog even verder door, als het materiële lichaam al weer stopt of terug gaat. Het energetische lichaam heeft veel meer de kwaliteit van een vloeistof, het is doorzichtiger, veranderlijker van vorm, doorzichtiger en minder zwaar.

Op de bijscholingscursussen voor yogadocenten laat ik de deelnemers tekeningen maken van dit energetische lichaam tijdens en na diverse oefeningen. Uit de tekeningen blijkt dat het ervaren lichaam er vaak raar uitziet, zo vreemd dat de tekeningen aan die van mensen met een psychische stoornis en zelfs van psychotici doen denken.

Illustraties
resp. na ademdruk naar de rug, na ujjayi, na ademen naar de bekkenbodem.

Sommige mensen die langer hathayoga doen, krijgen ervaringen van sterke energieën die langs de rug van onder naar boven gaan. Traditioneel wordt deze energie kundalini genoemd. De energieën zijn zo sterk dat ze je werkelijk overweldigen en je uit je gewone bestaan gooien.
Als het in de yoga langzaam onder leiding wordt opgebouwd, is er geen probleem, vooral niet als het gebeurt in een sfeer van helderheid en vertrouwen. Het kan plaatsvinden op elke spirituele weg. Dat hebben we besproken bij de overgave en verlichting.
De sterke energieën kunnen ook bij mensen ontstaan die geen spirituele weg volgen. Ze kunnen zonder duidelijke invloed opkomen, maar ook door traumatische ervaringen. In de angst die wordt opgeroepen, gaan mensen naar de psychotherapeut of psychiater. Volgens deze mensen heeft vrijwel geen hulpverlener een eigen ervaring met deze verschijnselen, zodat ze niet geholpen konden worden en zelfs verkeerd behandeld werden.

We hebben nog niet gesproken over ijlere lichamen dan het energetische, bijvoorbeeld het mentale lichaam. De bespreking daarvan laten we nu zitten.
Van belang is dat de hathayoga, zoals ik die opvat – en trouwens elk spirituele weg - kan leiden tot de herkenning van andersoortige lichamelijke zijnswijzen, zo tot de relativering van elke bepaalde vorm, en tot een oplossen van elke vaste structuur. Zo kan de herkenning komen dat je niet vastzit aan, niet noodzakelijkerwijze geïdentificeerd bent, met welk lichaam dan ook.

Dus, evenals bij de subject-object kwaliteiten, heeft ‘de bevrijding van het lichaam(sschema)’ twee aspecten. Het eerste is de transformatie van het lichaam met zijn structuren naar een steeds grotere subtiliteit en ijlheid. De vormen en structuren worden dan transparant, ijl en lossen op. Het tweede aspect is bewustwording van de vrijheid ten opzichte van alle lichamen. In die vrijheid worden alle lichamen met hun structuren geaccepteerd. Ze mogen er zijn, maar ze zijn niet beperkend meer omdat er geen speciale identificatie is met welk lichaam dan ook.


3 De hulpverlening op het terrein van psychiatrie en spiritualiteit

Dit alles heeft zijn consequenties voor de psychiatrische en spirituele hulpverlening.
De psychiater en spirituele leraar zullen bekend moeten zijn met alle niveaus van subject-object relaties - zie het V-model. Die subject-object relaties gelden zowel voor de situatie van de psychiatrische cliënt of leerling met zijn lichaam en wereld, als wel voor de relatie van de psychiater en de cliënt, de leraar en leerling.

Laten we dit laatste hier iets uitwerken voor de relatie psychiater-cliënt.
In het V-model dat we hier gebruiken staat horizontaal de afstand psychiater als subject en de cliënt als object weergegeven, en verticaal de aard van de relatie tussen beide, bepaald door de benaderingswijze van de psychiater, het niveau waarop de psychiater contact heeft met de cliënt, horend bij een bepaalde situatie.

Symposium_Psychiatrische_stoornis_V-model_5
1. Bij de biomedische benadering in de psychiatrie hoort de wetenschappelijke distantie. Van de cliënt wordt vooral de werking van het centraal zenuwstelsel bekeken. Dat is het object van de psychiatrie als biomedische discipline, naast het gedrag en de geobjectiveerde ervaringen. Er is een afstandelijke observatie, waarbij de verschijnselen als object worden geconstrueerd.

2. Dat is slechts gedeeltelijk het geval bij de gesprekstherapie en psychoanalyse, omdat de psychiater of therapeut de woorden en verschijnselen wil begrijpen. Hij probeert ze in zijn eigen kader van aanwezige kennis te plaatsen, ze zo een plaats en zin te geven. De situatie is dan niet natuurwetenschappelijk, maar hermeneutisch.

Psychische problemen worden in de psychotherapie en in de psychiatrie, voor zover deze niet uitsluitend biologisch zijn georiënteerd, tegenwoordig vooral besproken in termen van cognitieve patronen of schema’s. De stoornissen zijn dan vooral cognitief van aard en de therapie is gericht op het afleren van de problematische schema’s en het aanleren van schema’s die die problematiek niet geven. Deze cognitieve benadering wil wetenschappelijk zijn en bevindt zich tussen de wetenschappelijke en hermeneutische niveaus in.

Het grote probleem met de cognitieve oriëntatie in de psychotherapie en psychiatrie is dat veel schema’s zo hardnekkig zijn dat het niet lukt ze te veranderen. Die hardnekkigheid komt voort uit het gegeven dat ze vaak diep in het lichaam verankerd zitten. Een deel van de psychotherapie en psychiatrie, ook de psychoanalyse, is gericht op de bewustwording van de problematische patroonmatige neigingen. Maar, blijkbaar lukt dit maar ten dele, en als het aardig lukt, blijkt vaak dat een bewust (af)leerproces er geen vat op heeft.
Deze problematiek is op overeenkomstige wijze te vinden op het spirituele pad.

Deze moeizaamheid heeft de psychiatrie, de dominante stroming althans, ertoe gebracht zich sterk biologisch te oriënteren. De redenering is: Omdat psychologische methoden niet toereikend zijn, zullen we moeten terugkeren naar een biochemische beïnvloeding.

Is deze gevolgtrekking noodzakelijk? Nee, want zij gaat uit van een extra, verzwegen premisse, namelijk, dat we alleen cognitief-psychische en chemische therapeutische mogelijkheden hebben. En aan deze premisse ligt het psychofysisch dualisme of een epifenomenalisme (de geest is een bijverschijnsel van materiele processen in het lichaam) ten grondslag.
Wat niet wordt gezien is de relevantie van het lichaam zoals dat ‘geleefd’ wordt en ten dele in de zelfervaring gekend wordt.

3. Het existentieel begrijpen is aanwezig op het relatieniveau waarop de psychiater bepaalde ervaringen van de cliënt direct herkent vanuit zijn eigen ervaringskennis. Elders heb ik aangetoond dat de arts bij zijn werk altijd al de directe existentiële kennis gebruikt, niet alleen de medisch-wetenschappelijke kennis. Zijn eigen schematische kennis van zijn lichaam gebruikt hij/zij voortdurend bij het begrijpen van de woorden en symptomen van de patiënt. Als een patiënt zegt dat hij zo’n last heeft van hoofdpijn, weet de arts uit zijn persoonlijke ervaring wat ‘hoofd’ , ‘pijn’ en ‘hoofdpijn’ is. Dit weten is de grondslag om daarna de vertaalslag te maken naar de wetenschappelijke kennis. Zonder de voorbewuste kennis zou het werk van de arts onmogelijk zijn. Dat geldt ook voor het werk van de psychiater.

4. Dat geldt ook voor het niveau van één-zijn. Als er geen gemeenschappelijke basis zou zijn, maar een fundamentele scheiding, zou er helemaal geen onderling contact en begrip mogelijk zijn.


Hoe meer er in de psychiatrie een herkenning komt van alle niveaus, des te beter de hulp kan zijn bij het oplossen van de problemen.

De hoofdredacteur van het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid is hier niet optimistisch over (David Bos in Trouw 6 december 2004, p. 12). In het kader van psychische problemen van religieuze aard zegt hij: ‘Vooral jonge psychiaters hebben geen idee waarnaar ze bij de anamnese zouden moeten vragen.’

Sommige psychotherapeuten en psychiaters hebben meer succes dan anderen. Waar ligt dat aan?
In de psychotherapie is hier wel onderzoek aan gedaan en de belangrijkste factor is niet de benaderingswijze of school, maar de empathie, het inlevingsvermogen. Dit wil zeggen dat hoe dichter de psychotherapeut en de psychiater, voor zover hij/zij een psychotherapeutische benadering volgt, bij de ander komt die hulp vraagt, dus hoe lager in het V-model, des te betere hulp is mogelijk.

Dat is ook mijn ervaring: het is door de eigen zijnsruimte dat de ander ruimte gaat ervaren, dat de ander erop gaat vertrouwen dat die ruimte niet angstwekkend hoeft te zijn, hoewel die verder gaat dan dat van het ego.

Psychiatrische en spirituele hulpverlening vraagt dus een realisatie van verweven-zijn, van een-zijn en van non-dualiteit van de hulpverleners.


Na alle dingen die nu naar voren zijn gekomen, na alle golfjes op de oceaan, mogen de golven weer gaan liggen en over blijft dat wat altijd al aanwezig was – ook op de dia’s – de oceaan.

Er is geen tweeheid
als je ontspannen bent
in zelf-bewustzijn
is dat duidelijk.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten